Conservatorium aan Zee




 

Algemene situering

Kunstonderwijs in het algemeen

Het onderwijs streeft een vooropgesteld doel na en dit gebeurt op een systematische en gestructureerde wijze in een leertraject, kortom via een welbepaalde pedagogische methode.
Daartoe creëert het bewust een klimaat om het leerproces te bevorderen. Het gaat dus om een "omlijnde interventie" en onderscheidt zich daardoor wezenlijk van opvoeding.
Onderwijs én opvoeding leert ons vat te krijgen op de realiteit en binnen onze maatschappij te functioneren door daarin een ontplooiende plaats te vinden. Daarbij richt het kunstonderwijs zich niet enkel op het "hoofd" en de "handen", maar ook op het "hart". Daarmee richt het kunstonderwijs zich niet enkel op artistieke realisatie, maar ook op een artistieke houding die na de studies nog bepalend zal zijn. Het kunstonderwijs verschilt weinig van ander onderwijs, maar is toch specifiek, omdat kunst het uitgangspunt vormt en uiteenvalt in twee facetten, het kunstgerichte en het persoonsgerichte. Alhoewel beide constant verweven zijn in de opleiding, vertaalt het eerste zich voornamelijk in het artistieke luik en het tweede voornamelijk in het pedagogische luik van het artistiek pedagogische project. Beide projecten zijn niet zuiver te bevatten in een product, met name een visietekst, maar zijn het resultaat van een constant proces.

De structuur van de studierichting beeldende kunst in het deeltijds kunstonderwijs (DKO)

Decretaal is het DKO, onderwijs met beperkt leerplan en kent de studierichting beeldende kunst vier opeenvolgende graden:
De lagere graad richt zich tot kinderen van 6 jaar tot en met 11 jaar en is complementair aan het lager onderwijs. Hierbij wordt de beeldende creativiteit, die elementair aan bod komt in het basisonderwijs, verder gestimuleerd en ontwikkeld.
De middelbare graad richt zich tot jongeren van 12 jaar tot en met 17 jaar of volwassenen voor de laatste twee leerjaren en is complementair aan het secundair onderwijs. Hier wordt de beeldende creativiteit, die elementair aan bod komt in het secundair onderwijs, verder gestimuleerd en ontwikkeld en wordt de basisinitiatie verruimd, in een bredere context geplaatst met ruime aandacht voor de beeldtaal. Het is een mogelijke voorbereiding op het hoger kunstonderwijs.
De hogere graad richt zich tot volwassenen en is equivalent aan de eerste twee leerjaren van de derde graad van het Kunst Secundair Onderwijs (KSO). Hier staat kunst zelf leren beoefenen centraal via het verwerven van artistieke vaardigheden en het ontwikkelen van een eigen artistieke identiteit. Om kunst ook te beleven dient men kunst te leren ontdekken en begrijpen.
De specialisatiegraad is equivalent aan het derde leerjaar (ingericht als specialisatiejaar) van de derde graad van het Kunst Secundair Onderwijs en de doelgroep zijn volwassenen. Het is een voortzetting van de hogere graad.
Deze complementariteit en equivalentie is enerzijds vertaald in de minimumleerplannen van het departement Onderwijs, maar dient nader gespecificeerd te worden.

De specificiteit van de studierichting beeldende kunst in het DKO

Het DKO als onderwijs
Het DKO is geen leerplichtonderwijs. Het is deeltijds en vindt meestal plaats na de dagtaak (school, werk). Het lage aantal lesuren per week voor kinderen en jongeren houdt grote beperkingen in en zo zullen de affectieve doelstellingen, die een langetermijnwerking inhouden, het meest inboeten.

Het DKO is onderwijs dat leidt naar artistieke vorming, die vastgelegd werd in minimum-leerplannen, dit in tegenstelling tot de eindtermen "muzische vorming" en "plastische opvoeding" van het leerplichtonderwijs.

Het DKO kent drempels: het inschrijvingsgeld, de materiaalonkosten en de bereikbaarheid vormen een drempel voor mindergegoeden en hebben uitsluiting tot gevolg. Soms heeft het DKO een elitair karakter (een socio-culturele drempel) en dit kan worden doorbroken door het streven naar een "brede school".

Alle uitgereikte getuigschriften of attesten hebben geen civiel effect, m.a.w. ze zijn niet erkend.

De differentiatie in het DKO
De differentiatie in het profiel van de leerling en in het profiel van het atelier is mee bepalend voor het formuleren van doelstellingen.
Via de uitbreidingsdoelstellingen, verbredingsdoelstellingen en verdiepingsdoelstellingen kan differentiatie gerealiseerd worden.

Differentiatie volgens het profiel van de leerlingen:

Het DKO bereikt alle leeftijden en elke leeftijd heeft specifieke vaardigheden ontwikkeld. Volwassenen hebben reeds een algemene basiskennis en affectieve vaardigheden en persoonlijkheid verworven, terwijl dit bij kinderen en jongeren nog in ontwikkeling is. Deze verscheidenheid vergt dan ook een andere pedagogische aanpak.
De leerlingen volgen niet vanuit een leerplicht het DKO maar vanuit enerzijds nood aan begeleiding en achtergrond en anderzijds vanuit een "eigen interesse, engagement of motivatie". Dit laatste verschilt van persoon tot persoon: vrijetijdsbesteding, hobby, amateurisme, creatief bezig zijn, preprofessioneel, een tweedekans, getalenteerd, een late roeping. De kunstacademie respecteert elk van deze motivaties, maar ze wil in eerste instantie degelijk onderwijs zijn met degelijke opleidingen, die artistiek en pedagogisch onderbouwd zijn en gegeven worden door gediplomeerde leerkrachten/kunstenaars.
In tegenstelling tot het leerplichtonderwijs zijn er binnen een leerjaar grote verschillen in beginsituatie bij de leerlingen waarmee moet worden gewerkt.

Differentiatie volgens het profiel van het atelier

Vanuit de structuur van het DKO zijn er binnen één leerjaar grote niveauverschillen en het groeperen van meerdere leerjaren in een klas leidt tot een nog grotere heterogeniteit: atelierdifferentiatie is noodzakelijk.

DKO als cultuurinstrument

Het DKO vervult een maatschappelijk-culturele opdracht:
Op macroniveau is het DKO een cultuurdrager met als taak cultuur en artistieke traditie niet alleen in stand te houden, maar ook door kritische reflectie daarin een dynamiek te brengen.
Op mesoniveau kan het DKO, door haar kunstbeoefening, een belangrijke rol spelen in de actieve cultuurparticipatie van het lokale socio-culturele landschap.
Op microniveau draagt het DKO bij tot de culturele ontplooiing van de leerling. Creativiteit is een belangrijke motor in performante kennismaatschappijen. Het DKO komt hieraan tegemoet en voor volwassenen sluit het aan op levenslang en levensbreed leren.
Zoals kunst niet op zich staat of autonoom is, maar deel uitmaakt van de maatschappij en uitdrukking geeft aan haar cultuur, zo ook kan een kunstschool geen eiland vormen.

De Stedelijke Kunstacademie: structuur en aanbod

De Stedelijke Kunstacademie heeft enkel de studierichting beeldende kunst en staat open voor kinderen, jongeren en volwassenen.
De minimuminstapleeftijd is 6 jaar oud zijn of reeds les volgen in het eerste leerjaar van het basisonderwijs.
Het artistieke aanbod in de afdeling Beeldende Kunst ziet er als volgt uit:

Lagere graad: 6 leerjaren met 2 lesuren per week heeft twee opties:
- optie Algemeen Beeldende Vorming (1ste-6de leerjaar) met één vak Algemeen Beeldende Vorming;
- optie Animatie (3ste-6de leerjaar) met één vak Animatie.
Middelbare graad: 6 leerjaren met 4 lesuren per week heeft drie opties:
- optie Beeldende Vorming (1ste-6de leerjaar) met de vakken Waarnemingstekenen, Kleurstudie en Vormstudie;
- optie Digitale Beeldende Vorming (3ste-6de leerjaar) met de vakken Waarnemingstekenen en Digitale Beeldverwerking;
- optie Oriëntatie Beeldende Kunst (5ste-6de leerjaar - volwassenen vanaf 16 jaar) met de vakken Kunstinitiatie, Waarnemingstekenen en Initiatieatelier.
Hogere graad: 5 leerjaren met 8 lesuren per week heeft zes opties:
- optie Beeldhouwkunst;
- optie Keramiek;
- optie Schilderkunst;
- optie Tekenkunst;
- optie Video- en Filmkunst;
- optie Vrije Grafiek.
In elke optie wordt het vak Specifiek Artistiek Atelier en het vak Kunstgeschiedenis gevolgd. In sommige opties wordt bijkomend het vak Tekenen gegeven.
Specialisatiegraad: 2 leerjaren met 8 lesuren per week heeft vijf opties:
- optie Beeldhouwkunst;
- optie Keramiek;
- optie Schilderkunst;
- optie Tekenkunst;
- optie Vrije Grafiek.
In elke optie wordt het vak Specifiek Artistiek Atelier en het vak Bijzondere Kunstgeschiedenis gevolgd.

Elke oprichting van een nieuwe optie is afhankelijk van de goedkeuring van de Gemeenteraad van de stad Oostende en van het departement Onderwijs.

Samenwerkingsverbanden

In het kader van haar maatschappelijke rol wil de Stedelijke Kunstacademie haar expertise doorgeven aan het basisonderwijs i.v.m. de eindtermen muzische vorming. Een intense samenwerking tussen leerkrachten van het basisonderwijs en leerkrachten van de Stedelijke Kunstacademie is de hoeksteen van projectwerking.

Ten slotte is er een samenwerkingsverband met het Stedelijk Conservatorium om in de toekomst nog meer schooloverschrijdend en optieoverschrijdend te werken.

Maatschappij- en mensbeeld

Naar gelang plaats en tijd werden aan het onderwijs andere eisen gesteld. Extreem gesteld moet het onderwijs ofwel gericht zijn op het zo goed mogelijk inpassen van het individu in de bestaande maatschappij ofwel uitgaan van een zo goed mogelijke ontplooiing van de individuele persoonlijkheid. Het eerste leidt tot een selectieve onderwijsvisie en de tweede tot een adaptieve. Tussen beide bestaan vele overgangsfasen en sinds de Eerste Wereldoorlog verschuift de onderwijsvernieuwing richting adaptief. Samengevat kunnen beide modellen, die uitersten vormen, omschreven worden als volgt:

Het selectief model

Maatschappijbeeld: de maatschappij wordt gekenmerkt door een statisch geheel van waarden, opvattingen en rollen die haar in stand houden. Het gaat erom de verschillende rollen in de samenleving te omschrijven en ervoor te zorgen dat ieder een bepaalde rol vindt die overeenkomt met zijn/haar eigen capaciteit en ontwikkeling.
Mensbeeld: het individu wordt gezien in functie van de sociale bruikbaarheid en is dus ondergeschikt aan de sociale doelstellingen. De mens moet zich integreren in dit socialisatie-proces en zich conform daaraan leren gedragen. De individuele doelstelling bestaat erin samen met alle leden van de gemeenschap de collectieve cultuurgoederen te verwerven: taal, maatschappelijke waardeverhoudingen, denkmethoden en gemeenschapszin.

Het adaptief model

Maatschappijbeeld: de maatschappij wordt gekenmerkt door een dynamisch proces van voortdurende verandering waartoe elke mens een belangrijke bijdrage kan leveren. De sociale verandering naar bevrijding van vreemde machtsaanspraken en van vervreemding wordt hierbij als norm gesteld, kortom emancipatie op macro-, meso- en microvlak is het doel. De mens moet bovendien op een kritisch creatieve wijze in die maatschappij geïntegreerd worden. De mens moet als individu mee verantwoordelijkheid dragen in die maatschappij vanuit een maatschappelijk bewustzijn.
Mensbeeld: in de menselijke persoon krijgen volgende accenten de nadruk:
geestelijke vrijheid van de menselijke persoon: het recht van elke mens om zichzelf te zijn en te worden. De fundamentele eigenheid van elke mens vormt het basisidee en de verschillen tussen hen het uitgangspunt. De groei en de ontwikkeling tot zelfstandigheid is daarbij een strikte eis voor de vormingssituatie;
principiële gelijkwaardigheid van elke mens als mens. Niet gelijkheid wordt bedoeld, maar wel: de kansen van een persoon om tot een harmonische levenssituatie te komen. Die mogen niet afhangen van geslacht, ras, leeftijd, burgerlijke stand, seksuele geaardheid, nationaliteit, graad validiteit, graad verstandigheid, voorkeur. Totaliteit en eenheid van de mens als geheel: aandacht voor de totale mens, ook vanuit het perspectief van tijd en ruimte is uitgangspunt de mens als individu op het kruispunt van relaties. Elk heeft het recht op een waarachtige en eigentijdse algemene vorming, gericht op de totale persoonlijkheid. Een harmonische ineenschakeling van cognitieve, psychomotorische en affectieve aspecten én de sociale, culturele en historische context spelen daarin een belangrijke rol.

De Stedelijke Kunstacademie leunt aan bij het adaptief model, omdat de academie een open, kritisch, sociaal en emanciperend onderwijs wil nastreven en bijgevolg ook kritisch staat tegenover de positie van de kunst en het kunstonderwijs in de maatschappij en de markt-gerichte maatschappij. In dit opzicht is het de positionering van de Stedelijke Kunstacademie belangrijk om zich te profileren (naar maatschappij, leerlingen, leerkrachten) via standpunten.

Artistiek pedagogische visie

Artistieke visie

Het kritisch en inzichtelijk verwerven van waardevolle en relevante basiskennis (technieken, beeldtaal, invalshoeken) is een noodzakelijke voorwaarde voor het ontwikkelen van een bewuste artistieke persoonlijkheid. Omtrent de invalshoeken kunnen we ideaaltypisch het volgende onderscheiden: mimetisch (impressief), expressief, esthetisch, kunsthistorisch en maatschappijkritisch.

Met het ontwikkelen van een artistieke persoonlijkheid wordt veeleer bedoeld het streven naar een eigen identiteit, wat niet synoniem is aan authenticiteit of originaliteit. Een persoonlijkheid van het individu wordt gevormd door lagen (geslacht, achtergrond, inzichten, vaardigheden, affiniteiten) en het geheel vormt de identiteit. Dit ligt voor elke mens anders en vormt een diversiteit die verrijkend is.

De tijd dat de kunstwereld bepaald werd door één stijl ligt reeds lang achter ons. Tegenwoordig wordt de kunstwereld gekenmerkt door een veelheid van stijlen, benaderingen, typologieën en tendensen. Elk eist zijn bestaansrecht op en deze verscheidenheid is een verrijking. Gevaar schuilt in het feit dat alles kunst kan worden genoemd. Om dit te vermijden dringt een nieuw kader zich op om eenheid in die verscheidenheid te bekomen en de vraag daarbij blijft of de musea, die momenteel het enige kader vormen, daaraan tegemoetkomen.

De leerkracht-kunstenaar heeft de taak te begeleiden en zijn eigen gevormde artistieke persoonlijkheid als het ware ondergeschikt te maken aan het onvoldragene van zijn leerling. De leerkracht-kunstenaar kan en mag zijn eigen mening formuleren, zolang ze als dusdanig geformuleerd wordt. In dit opzicht dient het statuut van leermeester (leider) uit de vroegere kunstateliers, waar het voordoen en nabootsen centraal stond, plaats te maken voor de begeleider. De leerkracht als modelfunctie treedt wijzend, tonend en dialogerend op als katalysator en brengt mogelijkheden aan, zonder oplossingen te formuleren. Heeft oog voor product én proces.

Elke motivatie, waarom een leerling de nodige tijd vrijmaakt om de lessen te volgen, verdient respect en willen, kunnen of mogen directie en leerkrachten niet beoordelen, laat staan veroordelen, dit ondanks het feit dat de ene motivatie meer geschikt is dan de andere (motivatiegesprek kan nodig zijn). Het bepaalt enkel de beginsituatie. Hoe de leerling de school verlaat is belangrijk en daarin ligt de kracht van het artistiek pedagogisch project. De beginsituatie van de leerling is een belangrijk gegeven als uitgangspunt voor de werking van het volledig atelier.

Elke scholing en dus ook beeldscholing kent in grote mate een zo groot mogelijk aanbod aan informatie. Deze informatie dient zoveel mogelijk geplaatst te worden in een maatschappelijke en artistieke context en staat hoofdzakelijk in functie van onderzoek en studie. Hierin speelt een goede en toegankelijke mediatheek, het bezoeken van tentoonstellingen en musea een cruciale rol. Daarbij dient het leren omgaan met informatie aandacht te krijgen.
In zijn artistieke ontplooiing dient de leerling uitdrukking te leren geven aan zijn wereld, die een uitgangspunt, inspiratiebron kan zijn. Dit kan van een ideële, imaginaire of realistische benadering getuigen. Daarbij zijn drie aspecten belangrijk: onderwijskundig (hoe leren we de leerlingen omgaan met de beeldende middelen); opvoedkundig (hoe als leerkracht daartoe bijdragen) en de wijze waarop iedere persoonlijkheid zich met de samenleving engageert.

Bij de beeldscholing wordt het accent gelegd op het actuele, geplaatst binnen de cultuur- en kunsthistorische context.

Voor het ontwikkelen van een eigen identiteit dient de leerling zich te kunnen situeren binnen het kunstlandschap en is inzicht in de ideaaltypische invalshoeken in de kunstfilosofie nuttig. Het zelf kunnen verwoorden, verantwoorden en relativeren is onontbeerlijk. In deze ontwikkeling is tevens zicht en reflectie op de eigen ontwikkeling onontbeerlijk. Daarbij kan een logboek of draaiboek een nuttig instrument zijn.

Het metier is geen doel op zich, maar een middel en noodzakelijke voorwaarde om zich artistiek uit te drukken.

Bij de artistieke ontplooiing vormt het "waarnemen", in zijn ruimste zin beschouwd, een essentieel instrument of middel. De waarneming kan methodisch op vele manieren ontwikkeld worden en dient aan te leunen bij de betrokken discipline. Zo kan in de optie Tekenen, Schilderkunst het (waarnemings)tekenen gebruikt worden, terwijl in de optie Video- en Filmkunst men eerder leert waarnemen met de camera. Er is een duidelijk onderscheid tussen "waarnemen" en "waarnemingstekenen", in dit opzicht dat "waarnemingstekenen" een van de vele manieren is om te leren "waarnemen".

Pedagogische visie

Het pedagogische model dat men wenst te hanteren hangt niet alleen nauw samen met het maatschappij- en mensbeeld, maar vloeit er onrechtstreeks uit voort. Ook hier zien we twee tegengestelde modellen die we samengevat schematisch als volgt kunnen weergeven:
 Selectief modelAdaptief model
doelstellingenOperationeel (gesloten)/lagere niveausMeer open/hogere niveaus
beginsituatieWeinig mogelijkheidCentraal gesteld
leerstofGeen keuzeGrote keuzemogelijkheid
methodenLeraargerichtLeerlinggericht
leraarsstijlDirectiefBegeleidend
hulpmiddelenDoor de leraar gehanteerdDoor de leerling gehanteerd
evaluatieKwantitatief (toetsen)/selectief/ externe evaluatieKwalitatief (observeren)/ helpend/zelfevaluatie
Gezien de Stedelijke Kunstacademie aanleunt bij het adaptief model qua maatschappij- en mensbeeld, vloeit daar ook rechtstreeks uit voort dat dit ook voor het pedagogisch aspect zo is. Wetend dat bij reproductieve en gesloten doelstellingen het selectieve model van toepassing is, besluiten wij dan ook dat er steeds een wisselwerking tussen beide modellen zal zijn. Echter zo dat het adaptief model het uitgangspunt vormt voor de Stedelijke Kunstacademie van Oostende.

Aan deze begrippen dienen nog die toegevoegd te worden die meer op het methodische slaan.
Vanuit de actuele pedagogische en methodische inzichten zijn volgende werkwijzen aangewezen:
Interdisciplinair werken: elk vak staat niet op zichzelf en omdat ze de beeldtaal tot onderwerp heeft en om de globaliteit te verzekeren is daarom een permanent en daadwerkelijk vakoverschrijdend denken en handelen vereist. Het interdisciplinaire is meer een houding en het beoefenen van verschillende disciplines is niet synoniem met interdisciplinair.
Geïntegreerd werken: meerdere aspecten en doelstellingen komen tegelijkertijd aan bod bij oefeningen, opdrachten. Niet alleen omdat theorie en praktijk één geheel dienen te vormen, maar ook omdat het geheel van de persoon niet denkt en handelt in schijfjes. Aansluitend wordt ook de gelijktijdigheid gehanteerd voor zover een opbouw aantoonbaar noodzakelijk is (eerst dit aanleren als noodzakelijke voorwaarde voor het volgende). Een strikte academische aanpak, zoals in bepaalde negentiende-eeuwse kunstopleidingen (b.v. eerst waarnemingstekenen of techniek en dan pas vrijheid) had een beknottende invloed bij de artistieke ontplooiing en is actueel achterhaald, ondanks dat dit nog steeds onderwerp van discussie is. Deze discussie slaat veeleer op welk artistiek profiel men nastreeft en minder op het pedagogisch-didactische.
Het procesmatig werken: het proces, dus hoe iets tot stand komt, is belangrijk bij de ontwikkeling tot zelfstandig werken en krijgt daarom meer aandacht dan het product (begeleidingsplan gekoppeld aan evaluatiefiche). Dit betekent niet dat de zogenaamde eindtermen niet moeten worden gehaald en dat het eindresultaat niet dient te beantwoorden aan bepaalde criteria. Daarbij is het duidelijk dat het proces niet lineair verloopt, maar in schokken en associatief. Het zogenaamde logboek, dat door de studenten bijgehouden wordt, is daarom niet noodzakelijk de neerslag.
Gedifferentieerd werken: de differentiatie in het profiel van de leerling en in het profiel van het atelier is mee bepalend voor het differentiëren bij het formuleren van doelstellingen. Via de uitbreidings-, verbredings- en verdiepingsdoelstellingen kan dit verwerkt worden.
Permanente evaluatie: een goede begeleiding vergt een permanente evaluatie (evaluatiefiche) (formatief), zowel individueel als in groep (atelier) en dit mondt uit op de eindevaluatie bij de overgangs- en eindproeven (summatief).
De leertrajecten hebben logisch gestructureerde leerplannen nodig, waarbij de leerstof op een verantwoorde wijze wordt opgebouwd en gespreid. Vanuit het interdisciplinaire, optie overschrijdende en gelijkgerichtheid is het aangewezen dat de leerplannen van de verschillende vakken geïntegreerd worden (via vakgroepen).
Het discussiëren over kunst is een noodzaak en de aversie tegenover het woord wordt al te veel als een invasie van de intellectuelen gezien. Kunst en wetenschap, zowel de positieve als de menswetenschappen, hebben in de geschiedenis altijd heel dicht bij elkaar gelegen. Want trouwens de grondslag van elke kunstuiting is een concept of gedachtegang. Daarbij vormt hun eigen werk de voornaamste aanleiding en werk van kunstenaars aanknopingspunten. Dit staat in functie van het creëren van openheid.
In het leerproces vormt het atelier een laboratorium en forum waar de interacties tussen leerkracht en leerling, tussen de leerkrachten onderling en de leerlingen onderling een bron van inspiratie, feedback, reflectie en kritische ontwikkeling zijn. Daartoe zijn voldoende openheid en wederzijds begrip en respect noodzakelijke voorwaarden. Omdat het atelier het centrum in het leerproces vormt, verdient het ondersteunende vakken en/of initiatieven.
Het zelf ontdekken, zoeken, onderzoeken, experimenteren en kritische zin zijn noodzakelijke vaardigheden en attitudes om tot een volwaardige artistieke houding te komen en krijgen van bij het begin van de opleiding aandacht.

De relatie tussen de minimumleerplannen, het APP, het raamleerplan en het jaarplan

Bij het Besluit van 31 juli 1990 van de Vlaamse Executieve inzake de organisatie van het DKO werden ook de minimumleerplannen per optie vastgelegd voor de richting Beeldende Kunst. Tevens vraagt het departement Onderwijs dat elke academie, binnen het kader van de geldende onderwijswetgeving, een eigen visie ontwikkelt met zelfgekozen uitgangspunten en doelstellingen, het zgn. artistiek pedagogisch project. Van daaruit krijgen dan de raamleerplannen, jaarplannen, lesvoorbereidingen, evaluaties als instrumenten gestalte. Omwille van de samenhang, het duidelijke schoolprofiel en de gelijkgerichtheid is een algemeen kader per graad aangewezen onder de vorm van een raamleerplan voor alle opties binnen een graad. De minimumleerplannen en het artistiek pedagogisch project vormen dus de basis voor de raamleerplannen, die op hun beurt de basis vormen voor de jaarplannen, die samen met de lesvoorbereidingen en de evaluaties één geheel vormen.
 


Kunstacademie aan Zee





Copyright © 2004-2017 Stedelijk Onderwijs Oostende.
Stel je schermresolutie in op minimaal 1024x768 pixels voor een optimale ervaring.